De roep van de reuzen

Die Heimkehr, de thuiskomst, niet noodzakelijk waar je ter wereld kwam, maar waar je thuishoort: in het land van je verlangen. Zuiver verlangen kent geen voorbehoud en ironie. Alles is echt. Een idylle, een archetypisch sprookjesland, net zo waar als de plaats waar je geboren werd. Scheppen volgt op verlangen. Hjalmar Riemersma schildert de hooggebergten van de Alpen.

Arcadië, de pastorale, Bucolica. Vanaf de oudheid heeft de beschaafde stedeling zich een beeld proberen te vormen van het landelijke leven waar hij vervreemd van is geraakt. Een leven vol schoonheid: eenvoudig, natuurlijk en onbedorven. Een opzichzelfstaande en zelfredzame wereld waarin een man op eigen kracht een huis bouwt van een boom. De moderne mens kent dit verlangen ook, al voert hierin het individu meer de boventoon. ‘We hebben een elixer van het wilde nodig,’ schrijft Henry Thoreau vanuit het zelfgebouwde onderkomen waarin hij zich twee jaar uit de Amerikaanse beschaving heeft teruggetrokken. Een elixer dat duidelijk zijn grenzen kent: Into the wild, maar dan wel een tocht waarin de risico’s tot een minimum beperkt zijn. Het onderkomen van Thoreau bevond zich op een halfuur gaans van een dorp.

De bergwereld van Riemersma. Een wereld van machtige toppen en steile weiden, een door hoeven uitgesleten pad en koperen bellen, oeroude hutten, het licht van de maan op verse sneeuw, sterren boven bevroren sparren. Een wereld van Alpenreuzen. Het kind dat hier vakantie viert, ziet de boer die heimkeert van het werken in de stad. Het kind wacht. De boer wisselt pak voor overall en klimt de tractor op. Het kind, zonder weet van rente en pacht, ziet een man die niets en niemand nodig heeft, een bergman op de berg. Elk jaar keert Riemersma terug naar hetzelfde dal, naar dezelfde boer. De roep van de reuzen klinkt altijd.

Riemersma neemt de wereld met meer waar dan zijn ogen. Hij neemt haar mee. Zijn doek is stof nog, op de rol. Maar voor zijn oog en in zijn hoofd zijn alle hoeken laag voor laag al doorgelicht. De schilder weet hoe de delen in elkaar moeten vallen om voorgoed op hun plaats te blijven. Hij weet op welk moment de eerste verf klaar is voor de tweede. Hij weet waar het dunner moet dan een tube kan bevatten en waar centimeters dik. Hij beheerst de techniek in volle lagen nat in nat te werken. Het moment van maken bepaalt alles. Wie zo schildert moet wel archetypen maken. Zonder details staat het beeld en geeft ons wat wij nodig hebben voor onze eigen droom.

Door de geschiedenis lopen lijnen, een netwerk van aderen naar het werk van anderen. Over de toppen van het gebergte loopt een lijn naar het Alpenwerk van Ferdinand Hodler. Een grillige vertakking voert naar de techniek van de expressionisten. En, in het negeren van het tijdsgewricht door de keuze te maken ambachtelijk het landschap te schilderen, ligt de verbondenheid met Peter Doig. Een extra lus maakt hier de lijn, want ook in het werk van Doig lijkt de ironie, de dubbele bodem, te ontbreken. Het is wat het is. Een herinnering, een landschap. Alles is echt.

Lang was het wenslandschap van Riemersma een verstrengeling van natuur en menselijk scheppen: bergflank, maan en spar naast hut en trein. De Alpen echter, herbergen meer archetypische bewoners. Thoreau was zich er als geen ander van bewust dat hij een plek innam die niet alleen de zijne was: ‘de rust is nooit volledig. De wildste dieren rusten niet, maar zoeken nu hun prooi’. In het nieuwe werk van Riemersma kijken die wilde dieren terug. Niet vanuit hun verlangen om ons beeld van het landschap te vervolmaken, maar vanuit hun eigen aard. De marmot en de sneeuwhaas zijn altijd groter en sterker dan wie voor hen staat. De wolf bemerkt de haal over zijn neus pas in de ogen van degene die zijn pad kruist. Het verenpak van de kraai is als een nachtelijke Alpenhelling. Ieder op hun eigen manier heersen de dieren over de Alp. Vanuit koppigheid, uithoudingsvermogen en een scherpe blik op alles wat hen omringt. Altijd met één oog op de mogelijkheden die de omgeving hen biedt en de ander op de bedreigingen die er van uitgaan.
De arend die Nietzche – Alpenfilosoof die graag in dieren dacht – tegenover het lam zet, heeft geen afstand tot zijn drift maar valt er juist mee samen. Hij kan niets anders dan de lammeren achterna te jagen, hoezeer zij hem dat ook kwalijk nemen. In drift is het verlangen vervuld, want wie door drift gedreven wordt kent geen onderscheid tussen de wereld en hemzelf.

In die veelzijdige drift spiegelt zich iets wat mensen eigen is. De schilder heeft een koppige, lange adem nodig en zoekt in een bedreigde habitat naar nieuwe mogelijkheden. Die zoektocht heeft het binnen van het atelier nodig maar kan daar tegelijkertijd nooit blijven. Eeuwig is er de wederkeer van de opening naar buiten. De eigenschappen die wij aan dieren toekennen, en waarin we onszelf herkennen, ballen zich zo samen in het onvermogen om een stap terug te doen en de onwil om in de luwte te blijven kniezen.

Hier. Dit ben ik. Ik kan geen ander zijn.

Roosje Horsten & Guus Dix

Tekst uit het boek 'Eén oog op het vuurwoud' 2016.

about           
Hjalmar Riemersma